angle lines
hhhbccbbb hhbbnn n vvvv vhbbh h hhhvh cccnvnn  

 

 

 

 

 

Mijn werk bestaat uit ruimtelijke tekeningen (installaties), tekeningen op papier en getekende wandobjecten.
Mijn tekeningen komen tot stand door de techniek van het overtrekken.
Ik trek de ribben, structuren en/of patronen van ruimtes of delen ervan over met purfoam. Ik trek foto’s van ruimtes
over met purfoam en ik trek foto’s van de overgetrokken objecten over met aquarelverf op papier.
Deze techniek van tekenen geeft mij als resultaat tekeningen van vervormde ruimtes en/of afgeleiden daarvan.
Er vormen zich nabeelden van nabeelden, er volgt reis op reis door telkens het al bestaande, de ruimte en mijn
reactie daarop, opnieuw te betekenen. Het overtrekken zet ik niet in om een beeld zo goed mogelijk te reproduceren,
ik zie het als een manier van tekenen.
In mijn installaties zijn het de tentoonstellingsruimtes zelf die uitgangspunt en/of drager zijn van de ruimtelijke
tekeningen. Het overtrekken heeft voor mij de functie van het letterlijk aftasten van de ruimtes. Soms voelt het als
het zetten van een tag: hier was ik.
Het overtekenen is voor mij een manier om de ruimte te leren kennen en mij er toe te verhouden.
Ik zie het overtrekken als een verkenningstocht door de ruimte. Tijdens het tekenen bepaal ik hoe het verloop van
de tekening zal zijn, hoe dik of dun de lijnvoering moet zijn, wat ik wil benadrukken, welke weg ik volg. Ik werk in
het moment.
Toeval en vooral intuïtie laat ik hierbij een grote rol spelen en ik geef mij graag over aan de eigenschappen van
het materiaal purfoam waarmee ik de laatste jaren hoofdzakelijk teken. Het betekenen van de ruimte is tegelijkertijd
het creëren van een tekening als ook ruimtelijke betekenisgeving.
De betekenisgeving is in mijn werk verschoven sinds ik de tekeningen loshaal van de muren en vloeren,
ze gedeeltelijk open in de ruimte hang en op sommige plaatsen kapot laat gaan.
De tekeningen vormen nu niet alleen een bevestiging van de ruimte maar zij zijn eerder nabeelden, echo’s van de
ruimte geworden.
Hoe verder de tekening zich van zijn drager verwijdert hoe meer autonoom de betekenis wordt.
De beelden lijken een teken van verval te zijn, de kwetsbaarheid van het materiaal en de fragiliteit van de lijnvoering
spelen nu een grotere rol. Bepaalde eerst de ruimte de tekeningen, steeds vaker bepalen de tekeningen de
ruimte.
Ging het mij eerst om de bevestiging van de ruimte, nu gaat het mij om de vervorming ervan.
Dat het lijkt of de ruimtelijke tekeningen op het punt staan te vallen, dat het lijkt of zij als het ware wegglijden
in de tijd of dat zij de ruimte lijken aan te tasten heeft mij de opening geboden mij bezig te houden met de vraag
wanneer iets is of niet is, wanneer iets waarde heeft en wanneer iets geen waarde heeft.
Deze thematiek uit zich ook in de wandobjecten; de overtreksels van foto’s. Ook hier is de ruimte uitgangspunt.
Na het overtekenen van de foto’s en tijdens het drogingproces van de purfoam vervorm ik de tweedimensionale
tekening tot een driedimensionaal beeld. Ik geef hierbij de getekende ruimte op een vervormde manier terug.
De beelden krijgen een eigen vorm.
Zij laten zich lezen als open, speelse en broze architectonische modellen die de ruimte ingaan en daarmee een
relatie aangaan met hun omgeving. Soms is het spelen met de overgetrokken tekening zover gegaan dat alleen
restmateriaal het beeld vormt. Het zijn delen van grids, afgebroken stukken van de ruimtelijke tekeningen
waarmee ik het spel speel van het zijn of het niet zijn.
In mijn aquarellen werk ik van het driedimensionale beeld terug naar een tweedimensionaal beeld.
Deze tekeningen lijken weggezogen van hun orginieel maar laten tegelijkertijd een vermoeden van ruimtes en/of
gebouwen zien. Hier is het de waterverf die domineert en mijn handschrift bepaalt.
Net als bij mijn werken van purfoam en soms van boetseerwas of siliconenkit hecht ik bij de aquarellen aan
de zichtbaarheid van mijn handschrift die alle overwegingen en impulsen van het tekenen zelf zichtbaar maken.
Ik zie het proces en product als een eenheid. “ Niet het beeld is belangrijk, maar de gevoeligheid voor het maken
van het werk”, zegt Richard Tuttle (Uitgave Stedelijk Museum, 18-01 - 04-03 1979).
Bij mijn werk is het maakproces zichtbaar in het eindproduct en dat vind ik belangrijk.